Effecten van het aansluiten op het stelsel voor de individuele afnemer

In maart 2010 heeft PricewaterhouseCoopers voor Stichting ICTU een verfijning en herijking van de kosten-batenanalyse (ook wel aangeduid als kosten-batenanalyse fase 1) voor investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen in het stelsel van basisregistraties opgeleverd. Deze opdracht is een vervolg daarop.


Download: Effecten van het aansluiten op het stelsel voor de individuele afnemer (pdf, 916.02 KB)


Samenvatting

Inleiding en doel

In maart 2010 heeft PricewaterhouseCoopers voor Stichting ICTU een verfijning en herijking van de kosten-batenanalyse (ook wel aangeduid als kosten-batenanalyse fase 1) voor investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen in het stelsel van basisregistraties opgeleverd. Deze opdracht is een vervolg daarop.

In fase 1 bleek dat veel analyses tot nu toe de afnemer als een ‘black box’ beschouwden waardoor er weinig aandacht is geweest voor de investeringen die een individuele partij moet doen om de gegevens uit de basisregistraties ook daadwerkelijk beschikbaar te maken in haar primaire proces en welke baten dat oplevert. In fase 1 bleek ook dat deze investeringen waarschijnlijk aanzienlijk zouden zijn. Daarom is in overleg met de opdrachtgever besloten deze opdracht te concentreren op de vraag wat individuele organisaties nog moeten doen om aan te sluiten op het stelsel en welke effecten zij daarvan verwachten.

In het begin van fase 2 bleek dat er weinig business cases beschikbaar zijn van de investeringen die afnemers moeten doen. Er is daarmee te weinig kwantitatieve informatie om betrouwbare extrapolaties te kunnen uitvoeren en dus kan er geen betrouwbare financiële impact worden vastgesteld. In overleg met de opdrachtgever is toen besloten dit onderzoek kwalitatief van aard te maken en te concentreren op de ontwikkelingen die de grootte van investeringen en baten gaan bepalen.


Conclusies

Op basis van de gesprekken, documentenanalyse en expertworkshops is een aantal conclusies getrokken. Deze conclusies zijn uitgewerkt in hoofdstuk zeven en luiden in het kort:

  • Baten lijken groot en worden voor een groot deel door investerende organisaties geïnd. De investeringen van de individuele organisaties zijn – ook door het aantal organisaties - groot. Zowel lokale als centrale business cases worden positief ingeschat.
  • Er is echter onvoldoende sturing op baten doordat er enerzijds veel nadruk ligt op alleen aansluiten op het stelsel en anderzijds onvoldoende business cases zijn die het beoogde effect inzichtelijk maken. Het perspectief reikt nu niet “tot aan het loket” van de afnemer waar de baten moeten worden geïncasseerd en een te beperkte blik op aansluiten werkt kostenverhogend.
  • Realisatie van doelstellingen van het stelsel zal vooral plaats moeten gaan vinden door interne optimalisatie van de gegevenshuishouding en veranderingen in de (primaire) processen van de individuele overheidsorganisaties waar lokale en centrale doelstellingen bij elkaar komen.
  • Ketenonderdelen zijn nog niet voldoende op elkaar afgestemd, omdat er niet gedacht en gewerkt wordt vanuit het optimaliseren van de keten als geheel inclusief de afnemer maar vanuit het optimaliseren van de losse onderdelen. Daardoor wordt het stelsel fragmentarisch gerealiseerd en “zit men op elkaar te wachten”. Dit maakt dat de beoogde optimalisatie in investeringen en kosten (vermijden van kosten) in de keten niet plaatsvindt doordat er te weinig regie is.